Psychotherapie als kunstzinnig proces

Psychotherapie als kunstzinnig proces

Flip Jan van Oenen schrijft in zijn boek “Het Misverstand Psychotherapie”  op pp 105: “[….] het domein van de kunsten [lijkt] een passender thuisbasis voor psychotherapie dan het domein van de natuurwetenschappen”. Van Oenen past met deze opmerking in een breder verband van academisch geschoolden die de opvatting uitdragen dat niets van wat wij doen met Wetenschap te maken heeft. We moeten hierbij kortweg opmerken dat in deze opvattingen “Wetenschap” wordt geïdentificeerd met de resultaten van het op zichzelf onwetenschappelijke Ideaal van een Geünificeerde (doorgaans in laatste instantie fysische)  Wetenschap, waarin de werkelijkheid gevoegd wordt in de mal van Causaliteit en Wetmatigheid.

Allereerst stellen wij vast dat elke psychotherapeut zijn werk zal doen op zijn eigen unieke en persoonlijke manier.  Dat geldt overigens ook voor hoe een psychotherapeut loopt, zit, praat, gebaren maakt, zijn neus snuit, zijn brood snijdt. In die persoonlijke manier van doen herkennen wij elkaar. Ik liep een keer op Texel en achter mij hoorde ik mijn achternaam noemen. Het bleek een voor mij onbekende jongedame die bij mijn broer, die leraar is, in de klas zat en mij herkende aan mijn manier van lopen. Mijn manier van lopen vertoont blijkbaar een familiegelijkenis met die van mijn broer, hetgeen natuurlijk niet wil zeggen dat deze jongedame mijn broer op straat dacht te zien lopen. Sommige therapeuten hebben het ideaal om onze unieke manier van doen zoveel mogelijk uit te sluiten. Ik noem het afschrikwekkende artikel van Waller&Turner (zie gedragstherapie juni 2019, pp 85-111) waarin zij de oproep doen om “goedwillende clinici terug [te] dwingen van therapeutische dwaling” en behandelaren zo strikt mogelijk, op straffe van uitsluiting, uniform te laten optreden. Het ideaal behelst dat therapeuten inwisselbaar worden en dat persoonlijke elementen zoveel mogelijk uit de therapie verdwijnen. Laten wij hopen en bidden dat deze mensen nooit aan de macht zullen komen.

Flip Jan van Oenen roept op tot het andere uiterste:  hem lijkt het juist uitsluitend te gaan om de hoogst persoonlijke manier van doen die de therapeut inbrengt in de relatie met zijn cliënt. Voor hem is het belangrijk dat psychotherapie “inspireert”. Omdat de mate van inspiratie zelfs het enige criterium is dat Flip expliciet voor ‘goede therapie’ opvoert [zie pp 105], zou men denken dat in een psychotherapie “anything goes”, zolang het de deelnemers maar inspireert. Het idee is, dat zowel therapeut als cliënt inspiratie moeten krijgen. Psychotherapie krijgt dan een grote gelijkenis met een project van twee kunstenaars, die samen een kunstwerk aan het produceren zijn.

Hier zit natuurlijk wel een probleem: het is gebruik op veel scholen, ook op die van onze toekomstige koningin,  om een jaar af te sluiten met een musical en alle betrokkenen vinden het enorm leuk en kunstzinnig, maar de kans dat zo’n musical geschikt is voor Broadway is toch niet erg groot. Van Oenen voegt  dan ook een caveat toe: therapeut én cliënt moeten op hun hoede zijn voor op de loer liggende grootheidswaan.  Kunstenaars, zo luidt de wat clichématige opvatting, hebben immers grote ego’s. Om te voorkomen dat therapeut en cliënt gaan zwelgen in zelfoverschatting moet “de kunst in dialoog blijven met de Wetenschap – daar hebben we haar weer. Van Oenen beweert dat De Wetenschap onrealistische claims van de veronderstelde kunstenaars over de grote betekenis van hun werk weerlegt. Hoe dat zou moeten, dat zegt Van Oenen er niet bij. Begrijpelijk zou ik zeggen, want over smaak valt enorm veel te twisten en hoe De Wetenschap hierin de scheidsrechter moet zijn, ik zou het echt niet weten!

Van Oenen beschrijft psychotherapie als een dance en op andere plaatsen als een ritueel hetgeen bij mij het beeld oproept van nachtelijk dansen in de maneschijn, in een woud, of rond een vuur, een Powwow, of een Mongoolse Tsam, of misschien een Hollandse klompendans. Overigens moet ik wel opmerken dat de meeste dansen en rituelen volgens duidelijke regels en langs goede banen verlopen. Ondanks het idee dat psychotherapie vooral een kunst zou zijn en de uitdrukking van de allerindividueelste emotie komt Van Oenen toch wel deglijk met hele reeksen van richtlijnen en adviezen over de uitvoering van een psychotherapie. Ik tel in zijn boek tenminste 21 richtlijnen en adviezen. Sommige richtlijnen zijn voor de therapeut zelf:

een behandelmodel uitkiezen dat het beste aansluit bij de persoonlijke kwetsbaarheid van de therapeut [1]; de “degelijke lederhosen een eigentijds kleurtje geven”: de eigen professionele garderobe aanpassen [2]; oefenen en je harden tegen emotionele druk om niet voortdurend onthutst te raken door emotionele uitingen [3]; intercollegiaal overleg en intervisie [4]; vertrouwen opdoen om de eigen beperkingen te kunnen verdragen [5]; steun ondervinden van de organisatorische context [6]; de mogelijkheid hebben van consultatie en second opinion [7];  

Andere richtlijnen betreffen mogelijke interventies, of misschien beter: behandelstrategieën, die de therapeut kan inzetten bij zijn psychotherapie:

de beschermende werking van een behandelmodel op cliënt overdragen: “het helpt mij, de therapeut, dus dan zal het jou zeker ook helpen” [8] ; doorvragen als cliënt met lijden aan komt [9]; samenvatten van wat cliënt zegt [10]; het gevoel van de cliënt exploreren [11]; met de cliënt meeleven [12]; zich in de cliënt verplaatsen [13]; zich voorstellen hoe de cliënt het lijden onverdragelijk vindt [14]; tegen de cliënt zeggen: “U zult de situatie ook moeten leren verdragen” [15]; tegen de cliënt zeggen: “U kunt het” [16]; aan de cliënt door modelling duidelijk maken: “je kunt anders omgaan met een gevoel van onmacht – ik kan het immers ook” [17]; door rust te belichamen aangeven dat T niet schrikt, in paniek raakt of wanhopig wordt en dat C dus ook niet hoeft te schrikken, in paniek te raken of wanhopig te worden [18]; Niet alleen maar meelijden met de cliënt, maar ook onderzoeken hoe het probleem begrepen kan worden en welke – mogelijk confronterende – opties er zijn om het probleem te hanteren [19]; confronteren en begrenzen [20]; pardoxale strategieën toepassen [21];

Ik kom er niet onderuit in zo’n lijst van richtlijnen en adviezen een behandelmodel te zien, dat grote overeenkomst vertoont met wat de meeste therapeuten gemiddeld doen. Het ontgaat mij ook ten enemale wat het dance-karakter van dit rijtje adviezen zou kunnen zijn. Het dansbeeld roept de vergelijking op van psychotherapie en dansen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan iemand die aan het dansen is, met een toeziende dansleraar die bemoedigende kreten uit:  “en loop, loop, loop” als allegorie voor het psychotherapieproces. Een originele gedachte en leuk ook dat het zo goed past bij evidence, maar het levert niet veel duidelijkheid op over wat de dance-based psychotherapeut dan feitelijk zou moeten doen in een therapie. En misschien is het ook niet zo heel anders is dan wat volgens de fundamentalistische Waller&Turner moet worden gedaan. Probeert u maar eens scherp af te grenzen tussen wat hier door Flip wordt opgevoerd en wat Waller&Turner ons willen verplichten om te doen teneinde dwalen uit te sluiten. Ik hoor Waller al ernstig tegen Turner zeggen dat “in de richtlijnen en adviezen van dhr Van Oenen bewezen effectieve interventies figureren” als modelling, exposure, gedragsoefening, cognitieve therapie, monitoren, het maken van een casusconceptualisatie, het op gepaste wijze tonen van empathie. Wallter&Turner zullen het dan misschien niet kunnen laten om te vragen waarom dat protocol in Godsnaam dance-based moet heten en vervolgens afsluiten met de oproep aan Van Oenen om zich voortaan wel strikt aan het protocol te houden, om therapeutische dwaling en willekeur te voorkomen.

In feite maakt het mijns inziens weinig uit hoe de therapeut aan zijn interventies komt. Als een therapeut het zinvol vindt om met een kunstzinnige of artistieke interventie voor de dag te komen, van mij mag het. Een psychotherapeut moet doen wat hij of zij goed kan en wat hij of zij goed aan de cliënt kan overdragen. Van mij mag een therapeut tijdens de therapie op zijn hoofd gaan staan of met gele klompen aan komen zetten. Er is wellicht een scenario te bedenken waaronder deze acties helpend kunnen zijn voor de cliënt, onder bepaalde omstandigheden. Een therapeut moet zich voor zijn interventies desgevraagd verantwoorden. Bij een kritische ondervraging moet hij zijn interventie aannemelijk kunnen maken, voor de cliënt of voor een collega. En om zijn interventies te kunnen verantwoorden is het naar mijn oordeel niet voldoende dat de therapeut  alleen maar een beroep doet op de Autoriteit van het Behandelmodel. Het is onvoldoende dat een therapeut zich verantwoordt door te zeggen dat het zo in het protocol staat. De therapeut moet beschikken over een theorie achter zijn interventies. Bovendien moet hij voortdurend de epistemische deugden nastreven:  elke therapeut moet met betrekking tot zijn interventies niet alleen streven naar empirische adequaatheid, maar ook naar coherentie, consonantie met achtergrondkennis, begrijpbaarheid,  het doen toenemen van inzicht, plausibiliteit, informativiteit, toepasbaarheid, eenvoud. De therapeut moet bescheiden zijn en open staan voor kritiek, respect hebben voor alternatieve hypothesen. En hij moet spaarzaam zijn met zijn concepten en theorieën en voor elke interventie een andere theorie aanvoeren. De therapeut moet enthousiast zijn voor kritisch onderzoekingen van zijn interventies, zowel door collega’s als door cliënten. Dat is nodig om verder te komen met onze psychotherapie.  

Stel dat een cliënt zijn eigen veters wil leren strikken en de therapeut komt heel artistiek met zijn gele klompen aanzetten: dan moet de therapeut een epistemisch verantwoord antwoord kunnen geven op de vraag hoe gele klompen kunnen bijdragen aan de wens van de cliënt om zijn schoenen te leren dichtknopen.

Laat een reactie achter


Je kunt een reactie achterlaten door je eerst eenmalig te registreren.

Als je al een account hebt kun je hier inloggen.