Het Tonen van het Behandeldoel

Behandelaren zullen het over het algemeen een goed idee vinden om voor een behandeling een doel te stellen. Maar een goed idee goed uitvoeren blijkt toch best moeilijk. Zo kan het voorkomen dat het doel van een therapie wordt omschreven als er zijn voor de cliënt, empathie tonen aan de cliënt of geduld hebben voor of met de cliënt. Ik hoor ook beweren dat het doel van therapie is om traumabehandeling te doen, schema’s op te sporen of om een protocol toe te passen. Mij lijken dit geen doelen maar middelen.

Kunnen we deze verwarring, waarin we middelen abusievelijk voor doelen aanzien, overstijgen dan denken wij bij doelen heel vaak aan wat er met de therapie moet worden bereikt. Het antwoord op de vraag wat het doel moet zijn van de therapie wordt dan door de cliënt in een “ik wil” – zin geformuleerd. Wat de cliënt wil, kunnen we vervolgens nog onderverdelen in vermijdingsdoelen en toenaderingsdoelen: de eerste soort van doelen gaat over de zaken waar de cliënt vanaf wil, de tweede over waar hij of zij naar toe wil. Dus bijvoorbeeld: “ik wil van mijn angstklachten af” is een vermijdingsdoel;  “ik wil mijn kinderen weer naar school kunnen brengen” is een toenaderingsdoel. Uit onderzoek blijkt dat cliënten met toenaderingsdoelen het veel beter doen dan cliënten met vermijdingsdoelen.

Maar het is de vraag of het doel van psychotherapie kan liggen in iets wat de cliënt wil: hebben wij iets te willen? Wat ik wil is nu juist altijd iets wat er niet is (want anders hoef ik het niet te willen). Wordt therapie zo niet in haar essentie een uiterst frustrerende aangelegenheid, door als doel iets te stellen dat er niet is?

De vraag: “wat is het doel van deze psychotherapie?” kan ook heel anders worden geïnterpreteerd. Wanneer we vragen wat voor deze cliënt het doel is van zich aan te melden voor deze psychotherapie, dan is dat een vraag die op twee manieren kan worden geïnterpreteerd. De ene interpretatie is die we net zagen, namelijk datgene wat de cliënt met de therapie wil bereiken. De alternatieve interpretatie is dat het doel van de cliënt is gelegen in wat de cliënt in deze therapie komt doen. Interpreteren we het “doel” van de therapie op deze manier dan zien we bijvoorbeeld dat de cliënt in de therapie komt tonen dat hij een veel betere ouder is dan zijn schoonfamilie denkt, hetgeen zou blijken uit het feit dat hij de kinderen naar school brengt. Wat de cliënt komt tonen in de psychotherapie therapie heeft vrijwel niets te maken met wat hij wil bereiken met de therapie.

Het woord “tonen” (“de cliënt komt tonen dat hij een veel betere ouder is”) is hierbij een sleutelwoord: volgens deze nieuwe interpretatie komt de cliënt in de therapie tonen wat zijn of haar doel is. Zo kan de ene cliënt tonen dat hij in de therapie zichzelf weg komt cijferen, de andere dat zij in de therapie alles in haar eentje komt zitten doen, een derde komt om monologen af te steken waar de therapeut niet tussen kan komen terwijl een vierde komt om te vragen of hij het goed ziet en wat de therapeut er van denkt. De cliënt toont met wat hij komt doen wat zijn of haar doel met deze psychotherapie is. Gaan wij uit van de gedachte dat de cliënt in de therapie komt tonen wat zijn of haar doel is met deze therapie, dan volgt hieruit dat wij in de positie van de therapeut het doel van de cliënt vlak voor onze ogen gemanifesteerd zien – de reden waarom ik graag van manifeste psychotherapie spreek.

Met dat tonen is  wel iets bijzonders aan de hand: wat je toont kun je niet zeggen. Zo kun je bijvoorbeeld tonen dat je verlegen bent, maar iemand die – naar waarheid – zegt  ”Ik ben verlegen” toont in deze uitspraak naast verlegenheid nog iets anders dan verlegenheid. Tussen zeggen en tonen bestaat een ingewikkelde relatie. Als ik tegen mijn therapeut zeg dat ik niemand vertrouw dan toon ik in deze uitspraak naast wantrouwen ook nog iets anders. Als ik zeg dat deze therapie mij ook wel weer niet zal helpen, als ik zeg dat ik net zo goed met mijn buurvrouw kan gaan praten of als ik zeg dat ik nú stop met deze therapie dan toon ik naast wat ik zeg iets anders.

Aan de relatie tussen zeggen en tonen zitten twee aspecten. Het eerste aspect is dat dat het paradoxale verband tussen zeggen en tonen vooral aan de orde is bij de uitspraken die op de spreker zelf terugslaan. Zeggen en tonen is altijd en overal aan de orde, maar de relatie ertussen speelt vooral enorm op in de context van een psychotherapie. Daar immers is er een perspectief waarin uitspraken worden opgevat als uitingen die op de spreker zelf betrekking hebben. En dat is toch wel een groot verschil met alledaagse contexten, waarin de meeste uitspraken niet op de persoon zelf worden betrokken. Uit logische onderzoekingen is wel duidelijk geworden dat het onmogelijk is om dit verschil tussen zeggen en tonen en de tegenstrijdigheden die hieruit ontstaan uit te bannen. Dus dat moeten we niet gaan proberen. We moeten het verschil tussen zeggen en tonen juist kapitaliseren, het is de motor van onze therapie. Dat voert ons naar het tweede aspect.

Het tweede aspect is dat met name datgene wat de cliënt toont (en omgekeerd uiteraard ook datgene wat de therapeut toont) het meeste effect heeft op de toehoorder. Dus als de cliënt zegt dat hij nú het gesprek stopt en vervolgens blijft zitten dan is het effect van het blijven zitten op de therapeut het grootste. En dat effect wordt op zijn beurt het meeste zichtbaar in wat de therapeut toont, meer dan in wat hij terug zegt. Een gesprek uitgeschreven kan heel zinvol lijken, maar gekeken naar wat therapeut en cliënt samen zitten te doen kan dat gesprek blijken erg veel weg te hebben van twee samenzweerders die een coup aan het voorbereiden zijn.

We zien het doel dat de cliënt heeft met de therapie in wat de cliënt toont, in wat hij in de therapie komt doen. Hiermee, met wat de cliënt toont, moeten we dus ook de therapie doen.  

Laat een reactie achter


Je kunt een reactie achterlaten door je eerst eenmalig te registreren.

Als je al een account hebt kun je hier inloggen.